Jung bedenkt en bekijkt zijn persoonlijkheidstheorie vanuit de vroege kerk, toen kerk en wetenschap veel meer verweven waren dan nu. Hij veronderstelt dat de psychologische typen (introvert-extravert) ten grondslag liggen aan de schisma's en ketterijen in de vroeg-christelijke Kerk . Hij gaat in op verschillende opvattingen zoals de menselijke en/of goddelijke natuur van Christus, Maria als moeder van Christus of moeder van God, en de leer van de erfzonde van Augustinus: "De door Tertullianus ( zie gister ) intens doorleefde ervaring, dat de mens ook na de doop niet aan de zonde kan ontkomen, ontwikkelde zich bij Augustinus, die in tal van opzichten veel met Tertullianus gemeen heeft, tot de zo karakteristieke, pessimistische leer der erfzonde , wier kern en wezen is gelegen in de sinds Adam erfelijke concupiscentia . Tegenover het feit der erfzonde stond bij Augustinus de verlossende genade God's met het daardoor geschapen instituut der Kerk, dat de verlossingsmiddel...
'Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik...'