'Waarom ga je ervanuit dat ik meega?', vraagt Bud, als ik hem om kwart over tien roep op een zondagmorgen. Daar sta ik dan met mijn goede gedrag en mijn mond vol tanden. Goede gedrag, want ik heb hem tot het láátste moment laten liggen. 'Je gaat toch altijd mee? De afspraak is... ' 'Er is geen afspraak!!! Ik wil gewoon niet meer zo vaak naar de kerk!' Ik heb ook ooit een afspraak met mezelf gemaakt, want anders komt er nooit wat van. Dan denk je elke zaterdagavond, zal ik morgen toch maar níet gaan want uitslapen is zo lekker! Ik heb regelmatig tot God geroepen dat hij mij dan maar op tijd wakker moet maken, als hij wil dat ik kom. En dan liet ik de hele strijd los. En werd doorgaans, soms maar net op tijd, wakker. 'Er is wel een afspraak', pareer ik met weinig succes, 'Je zou om de week meegaan...' 'Er is géén afspraak', onderbreekt hij me, 'je gaat toch geen afspraak maken over hoe vaak je naar de kerk gaat? Ik wil gewoon...
'Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik...'